)
GROND, GELD en GEZAG. Heren en vrouwen van Asten (1200-1800)
Deze studie werpt nieuw licht op de positie van de heerlijkheid Asten tussen 1200 en 1800. Slegers onderzocht minutieus hoe de heren en vrouwen van Asten hun grond, geld en gezag verwierven, behielden en soms verloren. Daarbij gaat hij in op de aard van het bezit van de heren en vrouwen van Asten, de positie van een heerlijkheid in Brabant, de personen die zich heer of vrouwe van Asten mochten noemen en de rechten die kleefden aan het bezit van een heerlijkheid.
Een bijzonder aspect daarbij is dat Asten aanvankelijk een eigengoed was van de heren van het Land van Cuijk, maar in de 14e eeuw deel uit ging maken van het hertogdom Brabant. De heren en vrouwen kwamen in een leenverhouding te staan tot de Brabantse hertogen. Vanaf 1648 werd Asten in leen gehouden van de Staten Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden.
De auteur confronteert lokale Astense bronnen samen met eigentijdse juridische werken en het algemeen geldende Brabantse leenrecht.
Ondanks dat Asten een Brabants leen was, werd nog zeker tot medio zestiende eeuw in Asten het Cuijkse recht toegepast met hoofdvaart te Grave in het Land van Cuijk.
De auteur toont verder aan hoe diverse rechten van de Astense heren en vrouwen, zoals cijnsrecht, tiendrecht, jachtrecht, ijkrecht en molendwang, door de eeuwen heen veranderden en hoe deze na de Bataafse omwenteling deels behouden bleven als zakelijke rechten.
Deze studie over Asten is een voorbeeld voor rechtshistorisch onderzoek in verband met rechten van heren en vrouwen van heerlijkheden in Brabant. Het onderzoek biedt niet alleen inzicht in lokale en regionale geschiedenis, maar laat ook zien hoe het Brabants leenrecht in de praktijk vaak afweek van de theorie over het leenstelsel zoals beschreven door klassieke auteurs. Daarmee is deze studie waardevol voor iedereen die geïnteresseerd is in de (rechts)historie van lenen en in het bijzonder heerlijkheden in Brabant tijdens de middeleeuwen en het ancien régime.
